Jasikan, ten noorden van Kawu. Ik ben er heengereisd gewoon omdat ik er nog nooit geweest ben. Het blijkt een slapend provinciestadje te zijn dat de geest van vóór 1957 ademt: een roundabout met bloemenperk als entree, verlopen koloniale panden, en vriendelijke mensen die niet opkijken van een verdwaalde blanke. Ik koop de Daily Graphic bij een kraampje waar ook loten verkocht worden. Nee dank u, ik hoef er geen lot bij. Als de verkoper aandringt dis ik een spreuk op die in mijn Leidse studentenhuis hing: “The lottery: tax for people who are bad at maths.” (De Lotto is een belasting opgelegd aan mensen die niet goed kunnen rekenen.) Hij denkt hier een moment over na en begint voluit te lachen. ‘Dat klopt!’ zegt hij. Een paar omstanders lachen mee, sommige wat schaapachtig. Eén bestudeert aandachtig de cijfers van zijn net gekochte lot.
In het lommerrijke plantsoen van de katholieke missie eet ik verse ananas en praat ik wat met de verkoopster. Ze blijkt uit het naburige Togo te komen maar zegt de lokale taal een beetje te spreken. Ik vraag haar me de middaggroet te leren. Altijd handig. Maar als ik opstap en even verderop mijn troef probeer uit te spelen heeft het niet het gewenste effect: mensen lachen wat en antwoorden in het Engels. Al snel blijkt dat het meisje me het woord voor ‘welkom’ heeft gegeven, zodat ik de goede mensen met een brede grijns welkom heb geheten in hun eigen woonplaats. Ik laat maar in het midden wat mijn beroep is. Ze leren me wel de correcte versie. Gewapend met de middaggroet en met het zinnetje ‘Oh, ik wandel gewoon wat rond’ vervolg ik mijn spaziergang. Nu werkt het wel, zozeer zelfs dat ik na drie zinnen steeds moet bekennen dat mijn kennis niet dieper gaat.
In het oosten boven de bergen komt een donkere lucht op. Tijd om te gaan. Ik kuier terug richting de markt, waar ik nog een brood koop om thuis te roosteren en met zelfgemaakte mangojam te eten. Terwijl de taxi zich langzaam vult biedt een vriendelijke man me een stoel aan in de beschutting van een montagewerkplaats met de dubbelzinnige naam “God’s Time Is The Best Fitting Shop”. Wat is nou het beste, God’s tijd of deze werkplaats? Het zal wel het eerste zijn. In Ghana is God’s tijd altijd de beste.
Twee dagen later zit ik slaperig in mijn vliegtuigstoel en zie ik de zon opkomen boven de Lage Landen. Als de daling ingezet wordt blijkt Nederland nog gehuld in de ochtenschemer. Zachte mist ligt als spinrag over het landschap. Autootjes zoeken zich een weg over wegen die als lichtslangen door het weidse land kronkelen. Ik adem diep in, kan de koude lucht haast al voelen. Met een lichte bonk landen we. Tien minuten later loop ik licht euforisch rond in de glanzende gangen van Schiphol terwijl warm aangeklede reizigers naar mijn slippers staren. Weer thuis in een wereld waar alles schoon en synchroon is. Nog maar een paar uur voordat ik bij Gijske ben. Maar eerst koffie.
“Laartsj or smol?” vraagt de blonde kassiere van de koffiebar aan de mevrouw voor me. Ze herhaalt het geduldig een paar keer voordat de klant — die “One coffee please” besteld heeft — het snapt. Het meisje achter de koffiemachine maakt een laartsj. Ik bestel een espresso. “Een kleine of een dubbele?” Ik neem dubbel. “Een dúbbele esprésso, Jolààan” roept ze met een zangerig accent. “Gaat ik voor je maken Fried’,” zegt Jolanda. Ik grijns breed. Ah, Holland.