Media als middel

Veel wetenschappers onderhouden een haat-liefde verhouding met de media. Media-aandacht is moeilijk te krijgen en als je het eenmaal hebt nog moeilijker te controleren. Wanneer zet je door en wanneer zeg je nee? Hoe vind je de balans tussen bijsturen en meebewegen? Deze en andere vragen bespreek ik aan de hand van een concreet voorbeeld: de wereldwijde mediastorm rond ons onderzoek naar misverstanden en hoe ze opgelost worden. Aan bod komen onderwerpen als slim gebruik maken van sociale media, samenwerken met WTC-experts en inzien wanneer je geen controle hebt.

De rode draad is media als middel, niet als doel. Anders dan professionele wetenschapscommunicatoren is het wetenschappers niet te doen om media-aandacht per se. We willen overtuigd worden van het nut voordat we erin springen. We zijn bovendien heel realistisch over de nieuwswaarde van ons onderzoek: het meeste dat we doen gaat in kleine stapjes en is irrelevant voor de zevenmijlslaarzen van de media. Maar als er dan iets is dat meer aandacht verdient moet je weten wat je doet. Daarover gaat mijn presentatie. In de voorbereiding moet je een confucianist zijn: gedreven, conscientieus en met aandacht voor alle details. Als de mediastorm (of bries) eenmaal begonnen is word je een taoist: beweeg mee, laat los, en gebruik het momentum voor nieuwe dingen.

Hier zijn mijn slides:

De sessie

Andere sprekers in de sessie waren Chris Jacobs, promovendus in de biologie aan de Universiteit Leiden, en Fred Balvert, wetenschapscommunicator van het Erasmus MC. Chris heeft een hele leuke website, science-explained.com, waarop hij uitlegt hoe zijn vakgebied werkt; en Fred heeft net een boekje uitgebracht met daarin tips voor wetenschappers die in contact treden met de media.

Dat deed me overigens denken aan de NWO mediagids, die ik alweer een paar jaar geleden kreeg op een voorlichtingsdag van NWO: kort en goed, vol met praktische tips, en hier gratis als PDF te downloaden.

Waarom roep je ‘au’ bij plotselinge pijn?

Waarom au?

Is het echt “au” en niet iets anders? (illustratie Frank Landsbergen)

Voor het Kennislink Vragenboek beantwoordde ik de vraag: “Waarom roep je ‘au!’ bij plotselinge pijn?”. Dat is kennelijk een vraag die nogal leeft, want vorig jaar stelde Labyrint radio me dezelfde vraag en dit voorjaar was het raak op Hoe?Zo! radio. Daarom hier, als service voor zoekers, tweeters en andere au-gefascineerden, mijn antwoord.

In deze vraag zitten twee vragen verborgen. Voor een helder antwoord kunnen we die het beste opbreken:

(1) Waarom roepen we als we pijn hebben?

(2) Waarom roepen we ‘au!’ en niet iets anders?

Bij de eerste vraag zijn we in het gezelschap van een hoop andere dieren. Kreten van pijn komen door heel het dierenrijk voor. Waarom? Darwin, die in 1872 een boek schreef over emoties in mens en dier, dacht dat het samenhing met de sterke spiersamentrekkingen  die bijna elk dier vertoont bij een pijnscheut — een geritualiseerde versie van het zich bliksemsnel onttrekken aan een pijnlijke stimulus. Maar dat brengt ons nog niet veel verder: waarom zou de mond daarbij open moeten gaan? Onderzoek sindsdien heeft uitgewezen dat kreten in het dierenrijk ook communicatieve functies hebben: bijvoorbeeld om soortgenoten te alarmeren bij gevaar, om hulp te roepen, of om zorgend gedrag op te wekken. Die laatste functie begint al in de eerste seconden van ons leven, wanneer we het op een huilen zetten en onze moeder ons zorgzaam in de armen neemt. Baby’s, en trouwens de jongen van veel dieren, hebben hele repertoires aan verschillende kreten. In die repertoires is de pijnkreet —de uitroep bij een acute pijnbeleving—altijd duidelijk herkenbaar: een plotseling begin, een hoge intensiteit, en een relatief korte duur. Hier zien we al de contouren van ons “au!”. En daarmee komen we aan bij het tweede deel van de vraag.

Waarom au en niet iets anders? Eerst moeten we de vraag kritisch bekijken. Is het echt nooit anders? Zeg je au als je op je duim slaat of is het “aaaah!”? In het echt is er flink wat variatie. Toch is de variatie is niet oneindig. Niemand roept bibibibibi of vuuuuu in plotselinge pijn. Pijnkreten zijn variaties op een thema. Dat thema begint met een “aa” vanwege de vorm van ons spraakkanaal bij wijd open mond, en klinkt als “aau” als de mond daarna weer snel naar een dichte stand beweegt. Het woordje “au” vat dat thema prima samen. Daarmee hebben we meteen een belangrijke functie van taal te pakken. Taal helpt ons om ervaringen die nooit volledig hetzelfde zijn toch als soortgelijk te beoordelen. Dat is handig, want als we het willen hebben over “iemand die au roept” hoeven we niet de kreet precies te imiteren. In die zin is au een talig woord en geen kreet meer. Is au dan ook in alle talen hetzelfde? Bijna, maar niet helemaal, want elke taal gebruikt zijn eigen inventaris van klanken voor het beschrijven van de pijnkreet. In het Duits is het “au!”, een Engelsman zegt “ouch!”, en voor iemand uit Israel “oi!” — althans zo schreef Byington in 1942 in één van de eerste vergelijkende studies van uitroepen van pijn.

Ieder van ons komt ter wereld met een repertoire van kreten, en leert daarbovenop een taal. Die taal maakt dat we meer kunnen dan het uitschreeuwen — we kunnen er ook over praten. Gelukkig maar, want anders was er van dit antwoord niets terecht gekomen.

Dit stukje schreef ik als bijdrage aan het Kennislink Vragenboek, onder redactie van Sanne Deurloo en Anne van Kessel. Je kunt de gepubliceerde versie van het stuk hier lezen (PDF).

Quest

Welkom Quest-lezers! Je komt hier misschien via het stukje in de Quest van januari 2013. Als taalwetenschapper bestudeer ik het Siwu (spreek uit: “Siwoe”), gesproken in het zuidoosten van Ghana. Eén van de dingen die ik onderzocht heb zijn de vele klankwoorden van het Siwu.

Dolf JansenWil je meer weten over mijn taalonderzoek in Ghana? Beluister dan het volgende korte interview door Dolf Jansen. Daarin vertel ik over mijn veldwerk in Ghana en hoor je ook geluidsopnames van ideofonen in het Siwu. (Ideofonen, zo noemen we “klankwoorden” in de taalkunde.)

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

Het stukje in de Quest is gebaseerd op een interview in NRC Handelsblad. Als je wilt kun je dat hier nalezen.

Een taal vol klankwoorden?

In een kort stukje over “rare taal” is het belangrijk om te laten zien hoe anders het Siwu is dan het Nederlands. En Quest heeft volkomen gelijk: het Siwu is een taal die heel mooi klinkt en die hardstikke interessant is om te onderzoeken. De klankwoorden van het Siwu zijn zo interessant dat ik er een heel proefschrift aan gewijd heb.

Bij het artikel in de Quest staat een plaatje van een auto met een kapotte motor waarbij iemand “bedoembedoembedoem… kgggg” zegt. Een Siwu-spreker zou gewoon zeggen: Kaa ɔ kpì. ‘De auto is kapot.’ De monteur zou zeggen: Aa, tã mɛ lo nyɔ. Lo bu sɔ ìyèbi ìitere kukaakɔ. ‘Oh, even kijken. Ik denk dat de motor niet goed loopt.’ Heel misschien, als er een raar tikje in de motor zou zitten of als de motor tijdens het rijden schokkerig loopt, zouden ze een ideofoon gebruiken. Net zoals wij misschien een gebaar zouden gebruiken om het uit te beelden. De onderstaande versie van het plaatje past misschien beter bij het artikel…

Quest auto

Communiceren de Mawu —de sprekers van het Siwu— alleen in klankwoorden? Natuurlijk niet. Het Siwu heeft ook heel veel gewone woorden. Naamwoorden zoals ɔ̀bi ‘kind’, ndu ‘water’, kàmɔ ‘rijst’, en kàsukutu ‘werktuig om palmolie mee te maken’. Werkwoorden zoals we ‘kauwen’, tere ‘rennen’,  ‘zeggen’, fudza ‘wit zijn’. Bijvoegelijke naamwoorden zoals yɛtɛ ‘nieuw’ en siarè ‘groot’. Bijwoorden zoals gbidii ‘heel erg’,  kukaakɔ ‘supergoed’.

Waarvoor gebruik je ideofonen in het Siwu?

Waarom heeft het Siwu dan zoveel ideofonen? Dat is precies wat ik in mijn proefschrift onderzocht heb. Niet om alle communicatie mee te doen. Maar om heel precies te communiceren op momenten dat het er echt toe doet. Als ik wil laten zien dat ik kan bogen op persoonlijke ervaring bijvoorbeeld. (Eigenwijze klant: ‘Maar is het niet gewoon de afstelling van de kleppen? De monteur: ‘Moet u horen meneer. Als de zuiger aanloopt doet ‘ie ketetoeng ketetoeng; maar als het de klepstoters zijn klinkt het meer van gnn-tata-gnn-tata-gnn. Ik hoor het eerste.’) Of als ik samen met iemand een ervaring wil herbeleven. (Weet je nog toen we met die kapotte knalpijp door de Gotthardtunnel reden?) Dán gebruik ik ideofonen. Met gewone woorden kan ik praten, maar met ideofonen kan ik een gebeurtenis tot leven brengen. Continue reading