We zijn al lang elders

NRC vraagt zich af of wetenschappers hun werk blijven delen op twitter en vindt op twitter maar liefst 7 fervent twitterende wetenschappers die desgevraagd bevestigen nog op twitter te blijven. 

Twitter is inderdaad van belang geweest voor de wetenschap, maar het lijkt vooral de journalistiek te zijn die nog aan het twitterinfuus ligt. Het geweldige collectief WO in Actie ontleende een deel van haar slagkracht aan sociale media; des te verbazender dat NRC onvermeld laat dat Robeyn’s trouwe kompanen Remco Breukers en Rens Bod al lang en breed twexit zijn. Ook over naar mastodon zijn bekende wetenschappers als Ionica Smeets, Daniël Lakens, Iris van Rooij, en Marc van Oostendorp — stuk voor stuk goed voor 8k-80k twittervolgers, maar de krant wist ze ineens niet meer te vinden, want ja, niet op twitter.

Grote delen van twitterend academia zijn kortom al lang elders. Ze schrijven, podcasten, bloggen, en tooten in alle vrijheid en openheid, zonder het knagende gevoel cosponsor te zijn van een povere miljardair die bevestiging zoekt bij bruinrechts. Groepsblogs als NeerlandistiekStuk Rood VleesAstroblogs en Bij Nader Inzien floreren. Podcasts zijn niet van de lucht en mooie initiatieven als Nemo Kennislink, de MuseumJeugdUniversiteit en de IMC Weekendschool brengen een groter publiek in aanraking met wetenschap en onderzoek.

Kortom, als het gaat om kanalen voor kennisdeling en opinievorming heeft het medialandschap buiten de twitterbubbel er lange tijd niet zo florissant bijgelegen als nu. Kom ook buitenspelen! 

Van betekenisloze getallen naar een evidence-based CV

Lezenswaardig: een groep jonge medici ageert tegen de marketing-wedstrijd waarin volgens hen narratieve CVs in kunnen ontaarden — de nieuwste bijdrage aan het Erkennen & Waarderen-debat. Maar niets is wat het lijkt. Over evidence-based CVs, kwaliteit & kwantificatie

Eerst dit: de brief benoemt het risico dat je met narratieve CVs een soort competitie krijgt tussen verhalen. Dat kan zeker als de conventies van het genre nog niet uitgekristalliseerd zijn, zoals ik al schreef in 2019, toen NWO het invoerde. Een mooie-verhalen-wedstrijd wil niemand, daar zijn we het over eens. Ik ben het wat dat betreft trouwens ook eens met misschien wel het belangrijkste punt van de eerste brief o.l.v. Raymond Poot: meten is weten. Je moet alleen wel weten wát je meet. Daarover gaat dit stuk ook.

De medici (zowel deze jongere collega’s als de senioren o.l.v. @raymondpoot in het openingssalvo) lijken vooral te ageren tegen de term “narratief CV”. Die heeft ook de schijn tegen natuurlijk: gaan we elkaar nou sterke verhalen zitten vertellen bij het kampvuur? Nee toch zeker! Volgens de briefschrijvers moet een wetenschapper in het nieuwe systeem iets over haar achtergrond & prestaties opschrijven “op een onderscheidende manier” en “zonder kwantitatieve maten te gebruiken”. Factcheck: ❌ Kwantificatie in het narratieve CV is prima, gewenst zelfs!

Laten we de call van NWO er anders even bij pakken: hier is de PDF — het stuk waar het om gaat (§3.4.1 sectie 1 en 2) plak ik hieronder

Evidence-based CV

Als de term “narratief CV” je niet zint kun je het ook een evidence-based CV noemen: in plaats van contextloze lijstjes & getallen wil men argumenten zien voor de excellentie van de kandidaat & haar werk, kracht bijgezet door kwalitatief en kwantitatief bewijs van impact.

Want kijk even mee: zowel kwantitatieve als kwalitatieve indicatoren zijn uitdrukkelijk toegestaan. Dat zou je niet uit de brieven van Raymond Poot & collega-medici gehaald hebben. Het cruciale verschil is dat indicatoren duidelijk betrekking moeten hebben op specieke items: “Alle type kwaliteitsindicatoren mogen genoemd worden, zolang ze betrekking hebben op slechts één output item.”

Wat hier goed aan is 1: Waar eerder de complete publicatielijst geplempt mocht worden (waar vooral veelschrijvers bij gebaat zijn) vraagt dit format om een gemotiveerde keuze van 10 items: de n-best methode die aan Ivy Leagues gangbaar is. Niks mis mee!

Wat hier goed aan is 2: Waar je eerder goede sier kon maken met journal-level metrics als IF (statistisch gezien niet meer dan een opgedirkt halo-effect) moet je nu hard bewijs leveren voor de impact & het belang van je werk.

Wat hier goed aan is 3: Waar je eerder te koop kon lopen met een hoge h-index (niet gecorrigeerd voor voorsprong door leeftijd, coauteurschap, zelfcitaties & andere biases) mag je nu laten zien welke van je papers echt zo briljant & origineel zijn.

Dat kwantificatie niet meer mag is quatsch

Volgens mij zijn dat ook 3 manieren waarop een evidence-based CV meer kansen biedt juist voor de ‘kwetsbare groepen’ die de brief noemt. (En ook: 3 manieren waarop de voorsprong van traditioneel bevoorrechten enigszins rechtgetrokken wordt — is dat niet ook een deel van de pijn?)

Kortom, dat kwantificatie niet meer zou mogen is quatsch. Je kunt alleen niet meer wegkomen met de meest indirecte cijfers (die vooral wat zeggen over privileges, kruiwagens en co-auteurs) — in plaats daarvan moet je nu hard bewijs leveren voor de impact & het belang van je werk.

Ik moet wel zeggen: de misverstanden in de brieven komen niet helemaal uit de lucht vallen. “Narratief CV” is geen beste term en er is kennelijk gebrek aan sterke voorbeelden van verantwoorde & genuanceerde kwantificatie op artikelniveau. Werk aan de winkel voor Erkennen en Waarderen en NWO!

Tot slot: álle briefschrijvers —van @raymondpoot cs tot @DeJongeAkademie @RadboudYA etc tot de jonge medici— zijn het erover eens dat roofbouw op de financiering de echte nekslag is voor topwetenschap in ons land: meer investering in fundamenteel onderzoek is cruciaal

Toevoeging 11 mei 2022:

Nou, mijn betoog in dit draadje, of in ieder geval de de term ‘evidence-based CV’, lijkt bij NWO gehoor gevonden te hebben — waar op mijn CV zal ik dat zetten? 😃

Originally tweeted by @dingemansemark@scholar.social (@DingemanseMark) on July 27, 2021.

Erkenning en waardering voor schapen met vijf poten

Terwijl er lustig gefilosofeerd wordt over het verlichten van de rat race mag de jongere lichting op 5 borden tegelijk schaken!

Een verbreding van hoe we erkennen en waarderen kan ik alleen maar toejuichen, maar ik heb nog niet vaak gehoord over één van de meest voelbare bijeffecten voor de jongere lichting academici nu: van ons wordt verwacht dat we op álle fronten goed scoren.

Dat zegt niemand zo natuurlijk maar is een eenvoudig gevolg van het feit dat we beoordeeld worden door senioren met verschillende referentiekaders. Tegenover elke Erkennen & Waarderen-adept staat een dinosaurus die watertandt bij publicaties in tijdschriften met een hoge impact factor (IF).

Tegenover elke team science-fan staat iemand die vraagt, maar waar zijn de first-author publicaties? De één waardeert goede onderwijsevaluaties, een ander knikt minzaam maar zegt dat ‘ie nog wel wat meer leiderschap wil zien. En waar is de public outreach?, zegt de volgende.

Dát bonte gezelschap reviewt onze artikelen, beoordeelt ons voor promoties, beurzen, en prijzen, geeft wel of niet groen licht bij vooraanvragen. Dus, terwijl er lustig gefilosofeerd wordt over het verlichten van de rat race mag de jongere lichting op 5 borden tegelijk schaken!

Instellingen mogen Erkennen & Waarderen dan beamen, maar bieden nauwelijks ruimte voor kwalitatief verschillende carrierepaden, want Uniforme Functieprofielen. Excellente docenten worden nog steeds onderworpen aan schadelijke flexwetgymnastiek, tenzij ze misschien excellent publiceren, want rankings.

Wie veel outreach doet mag shinen in het jaarverslag, maar het gaat wel af van je onderzoekstijd — niet je onderwijstijd natuurlijk want want we worden betaald voor het afleveren van studenten, niet het vergroten van begrip. ¯\_(ツ)_/¯

Om een beursaanvraag te mogen schrijven moet je ervaring naadloos passen bij onze onderwijsbehoefte. Maar om kans te maken op die beurs moet je vooral goed publiceren. En oh, vergeet niet die samenwerking met het bedrijfsleven in je narratieve CV, daar houdt de commissie zo van.

Het gevolg: waar eerder gezocht werd naar 5 high IF-papers is er momenteel vooral vraag naar schapen met 5 poten. En dat was volgens mij precies níet de bedoeling van Erkennen & Waarderen. Ik heb geen oplossingen, het is slechts een observatie.

(Oorspronkelijk gepubliceerd als draadje.)

Een week @NL_Wetenschap

In voorjaar 2019 mocht ik een week twitteren in naam der wetenschap voor het wissel-account @NL_Wetenschap (10-17 februari 2019). Omdat het account steeds rouleert van wetenschapper naar wetenschapper en omdat Twitter natuurlijk altijd in beweging blijft is het moeilijk om achteraf een goede indruk te krijgen van zo’n week. Daarom hier een overzichtje in blog-vorm.

De tweets van die week werden meer dan 250.000 keer gezien, wat lang niet gek is voor een account dat op dat moment een paar duizend volgens had. Het leverde ook veel interacties op, zowel met geïnteresseerde leken als met collega-wetenschappers uit andere disciplines. Ik werd op 15 februari ook geïnterviewd door Steven Smit in het programma NPO Focus Wetenschap op NPO Radio 1.

Hieronder een paar highlights. Veel van mijn tweets vormden ‘draadjes’, een soort aaneenschakeling van korte berichten die samen een mini-essay vormen. Dat zorgt voor samenhang en voor behapbare stukken.

Taalkunde: alfa, beta, gamma? All of the above.

Eén van de aantrekkelijkste dingen van mijn vakgebied is dat het zich bevindt op het kruisvlak van zoveel wetenschapsgebieden. Daarover schreef ik twee draadjes. Het eerste begint met een beroemd diagram uit een rapport van toen de cognitiewetenschappen net in bloei waren gekomen. In het tweede ga ik kritisch in op de populaire, maar misleidende alfa versus beta-indeling. Die werkt van geen meter voor taal of voor taalwetenschappers, en hier leg ik uit waarom de werkelijkheid veel te interessant is om in tweeën te delen.

Als taalwetenschapper heb ik nooit de gretigheid begrepen waarmee mensen zichzelf (of anderen) indelen als ‘alfa’ of ‘beta’. Taal is bij uitstek iets dat die tweedeling in twijfel trekt: geworteld in onze natuur, gevormd in sociale interactie, doorgegeven als cultuur. Eerder deelde ik al dit diagram, met taal op het kruisvlak van allerlei disciplines. Daar mist nog biologie (spraakorganen, lijf, genoom), sociologie (sociale relaties, samenlevingen), en meer. Taal raakt aan alles wat ons mens maakt, en overstijgt gemakzuchtige tweedelingen.

Overigens, voor wie behept is met dat alfa/beta essentialisme is er een goed medicijn: lezen. Je zou kunnen beginnen met De Vergeten Wetenschappen, waarin @rensbod laat zien dat er altijd al volop kruisbestuiving is tussen natuur- en geesteswetenschappen. Zo gebruikte de taalkundige Panini (4e eeuw vC) in zijn formele grammatica van het Sanskriet principes die pas in de 19e eeuw herontdekt werden voor logica en computertalen, en legden methoden van de vergelijkende taal- en tekstwetenschap de basis voor de moderne bioinformatica.

Dus voor wie vraagt, “Wat is taalkunde nu: wetenschap of schone kunst? Natuur of cultuur? Letteren of Sociale Wetenschappen? Alfa of beta?” — het antwoord is “Porque no los dos?”

Die hybride status komt op veel manieren tot uiting. Er is natuurlijk een hele waaier aan vakbladen, van Language en Phonetica tot Glossa en Semantics & Pragmatics (die laatste twee #OA), maar je vind ook taalkundige artikelen in meer ‘glossy’ journals als Nature, Science of PNAS.

Paar voorbeelden, want hier zit een interessante les achter. In 2009 publiceerden @MPI_NL wetenschappers in PNAS een grote vergelijkende kwantitatieve studie van beurtwisseling in conversatie. Dit is waarom we weten dat het gemiddeld slechts 200ms kost. Die studie hielp het fenomeen van beurtwisseling op de kaart te zetten, met een stroom van andere studies tot gevolg — niet alleen in mensentaal maar door heel het dierenrijk. Hier bijvoorbeeld in primaten (uit http://doi.org/10.1016/j.tics.2015.10.010…)

Dit subsysteem zou wel eens ouder kunnen zijn dan andere aspecten van taal, en werpt dus licht op de biologische evolutie van ons communicatiesysteem. Tegelijk voegen talen (als cultureel fenomeen) zich naar die niche van beurtwisseling.

Plot twist! Al dit vergelijkende, kwantitatieve, multidisciplinaire werk gaat terug op een superdegelijke *kwalitatieve* beschrijving van het beurtwisselingssysteem, gepubliceerd in 1974 in Language, nog steeds een toonaangevend vakblad in de taalkunde, door drie *sociologen*.

Nog een voorbeeld dan. Ik noemde hierboven al de observatie uit Rens Bod’s De Vergeten Wetenschappen dat de vergelijkende taal- en tekstwetenschap de basis legde voor bioinformatica-algoritmen voor het vergelijken van DNA-sequenties.

In recente jaren komen methoden uit de bioinformatica weer terug in de taalkunde, bijvoorbeeld in de historisch vergelijkende taalwetenschap, waar grote aantallen woorden vergeleken worden om zo reconstructies te maken van de oorsprong en uiteenwaaiering van talen. Een recente studie van collega’s in de Afrikaanse Taalkunde onder leiding van Rebecca Grollemund gebruikte bijvoorbeeld dit soort methoden samen met archeologische en klimatologische data om de Bantoe-expansie in Afrika te reconstrueren. Ook hier weer is dit soort werk alleen mogelijk als het gegrondvest is op degelijk, empirisch, kwalitatief voorwerk en veldwerk, waarbij je nauw samenwerkt met sprekers van de talen; en wint het aan belang als er helder geformuleerde theorieën op het spel staan.

Taal is dus een perfecte uitvalsbasis voor interdisciplinair werk. Maar ook binnen de taalkunde zijn methoden & theorieën enorm divers, van de fonetiek tot de pragmatiek. Het mooiste: de gegevens liggen voor het oprapen, want taal gebruiken we allemaal.

De constante wisselwerking tussen kwalitatief/kwantitatief, empirie/theorie, natuur/cultuur, gedrag/gedachte, lichaam/geest, rekenen/redeneren, is wat de taalkunde zo aantrekkelijk maakt. Alfa? Beta? Taal is het beste van beide, nee, misschien wel van alle werelden.

Alice in Taalland

Elke werkdag plaatste ik een draadje met inzichten over taalwetenschap aan de hand van Alice in Wonderland, dat ik op dat moment aan mijn dochter aan het voorlezen was. N.B. de profielfoto van de tweet is dus de huidige tweeter, niet ik.

Alice in Taalland #1: over taal en sociale interactie
Alice in Taalland #2: over klanksymboliek
Alice in Taalland #3: over ongeschreven regels van de taal
Alice in Taalland #4: over betekenis, taalgebruik en pragmatiek
Alice in Taalland #5: over vlechtwoorden en waantaal

Reacties

Er kwamen mooie reacties en discussies.

En had Bart Braun een gouden tip over het Taverne-amendement in antwoord op een opmerking over het delen van publicaties:

Waarom ik mijn werk als wetenschapper zo leuk vind

Een hele eer: de redactie van New Scientist heeft me geselecteerd voor hun top 25 van talentvolle jonge wetenschappers. Er zit ook nog een populariteitswedstrijd aan vast waarin één ‘winnaar’ aangewezen wordt op grond van een vakjury en publieksstemmen (wat natuurlijk vooral een slimme manier is van New Scientist om aandacht te genereren voor hun merk). Geen stemadvies dus, maar graag gebruik ik deze kans om iets te vertellen over de projecten waar ik me voor inzet en over wat mij enthousiast maakt in mijn werk als wetenschapper.

MuseumJeugdUniversiteit

De MuseumJeugdUniversiteit organiseert interessante collegereeksen voor kinderen van 8 tot 12 oud — een publiek dat uitblinkt in slimme vragen en onverwachte invalshoeken. Dit jaar ben ik ambassadeur voor de MuseumJeugdUniversiteit. Ik heb onder meer het academisch jaar geopend voor een zaal vol kinderen in het Teylers in Haarlem; geholpen in de zoektocht naar jeugdige vloggers; en me ingezet om meer wetenschappers betrokken te krijgen bij de colleges door heel het land. (Ben je wetenschapper en zou je ook wel eens colleges willen geven voor misschien wel het leukste publiek dat je kunt hebben? Kijk dan hier.)

Groot Nationaal Onderzoek

Samen met mijn collega Tessa van Leeuwen zette ik een Groot Nationaal Onderzoek op naar hoe de zintuigen samenwerken. Meer dan 12.000 mensen deden mee, en de eerste resultaten werden bekend gemaakt in een speciale uitzending van De Kennis van Nu. Ook nu nog kun je online uitvinden of jij kleuren ziet bij letters en hoe goed jouw zintuigen samenwerken: ga naar gno.mpi.nl. Dit project vond ik enorm leuk om te doen: het leverde nieuwe wetenschappelijke inzichten op, maar het gaf ons ook de kans om aan heel veel mensen te laten zien hoe de zintuigen samenwerken bij het leren van woorden en het gebruiken van taal.

Ig Nobel Prijs voor onderzoek naar misverstanden

Prijzen zijn altijd leuk, maar de vrolijkste is toch wel de Ig Nobel prijs, die uitgereikt wordt voor wetenschappelijk onderzoek dat je eerst aan het lachen maakt en dan aan het denken zet. Wij kregen hem in 2015 voor onze ontdekking van een universeel woord: ‘Hè?’. Voor ons was die vondst eigenlijk bijvangst in een veel groter onderzoek naar hoe we misverstanden oplossen en hoe we voorkomen dat onze gesprekken telkens vastlopen.

In dat onderzoek vonden we dat bepaalde technieken om misverstanden op te lossen overal voorkomen. We vonden ook dat mensen overal hun best doen de meest efficiente techniek te gebruiken, ook als ze dat zelf iets meer werk kost. Elk gesprek is zo een knap staaltje teamwerk. Ons onderzoek draagt bij aan ons begrip van taal, maar heeft ook bredere toepassingen. Neem Siri, Alexa en andere spraakgestuurde apparaten: één van de grootste ergernissen is dat ze nog niet handig omgaan met misverstanden. Ons werk kan daarbij helpen doordat het principes aan het licht brengt die in alle talen hetzelfde werken.

Over mijn werk als taalkundige

Er zijn ruim 6500 talen op de wereld. Als taalwetenschapper probeer ik uit te vinden waarin talen op elkaar lijken en waarin ze van elkaar verschillen. Daarvoor doe ik veldwerk in Ghana en werk ik samen met collega’s rond de wereld, zodat mijn onderzoek tientallen talen bestrijkt, van groot tot klein en van geschreven tot ongeschreven. Anders dan veel andere taalwetenschappers werk ik vaak met video-opnames van gesprekken. Hoe taal in het alledaagse leven gebruikt wordt is de sleutel tot een beter begrip van waarom talen zijn zoals ze zijn, en wat dat betekent voor mens en maatschappij.

Veel van mijn werk verschijnt eerst in internationale vakbladen. Een volledige lijst met dat soort publicaties kun je vinden op mijn webpagina bij het Max Planck Instituut. Maar taal is relevant voor iedereen, en daarom schrijf ik ook vaak voor een breder publiek. Lees je Engels? Kijk dan eens naar mijn stuk met N.J. Enfield voor Scientific American: Let’s Talk: Universal social rules underlie languages, of bekijk de stukken over ons werk die verschenen in The Atlantic, Smithsonian Magazine, en bij de NPR. Lees je Nederlands? Kijk dan eens naar mijn stukken voor de Taalcanon (Kleurt taal je wereldbeeld?) en voor Onze Taal (Taal als samenspel van de zintuigen). In EOS verscheen ook een vertaling van ons stuk voor Scientific American: Ongeschreven regels van de taal.

Meer weten?

Media als middel

Veel wetenschappers onderhouden een haat-liefde verhouding met de media. Media-aandacht is moeilijk te krijgen en als je het eenmaal hebt nog moeilijker te controleren. Wanneer zet je door en wanneer zeg je nee? Hoe vind je de balans tussen bijsturen en meebewegen? Deze en andere vragen bespreek ik aan de hand van een concreet voorbeeld: de wereldwijde mediastorm rond ons onderzoek naar misverstanden en hoe ze opgelost worden. Aan bod komen onderwerpen als slim gebruik maken van sociale media, samenwerken met WTC-experts en inzien wanneer je geen controle hebt.

De rode draad is media als middel, niet als doel. Anders dan professionele wetenschapscommunicatoren is het wetenschappers niet te doen om media-aandacht per se. We willen overtuigd worden van het nut voordat we erin springen. We zijn bovendien heel realistisch over de nieuwswaarde van ons onderzoek: het meeste dat we doen gaat in kleine stapjes en is irrelevant voor de zevenmijlslaarzen van de media. Maar als er dan iets is dat meer aandacht verdient moet je weten wat je doet. Daarover gaat mijn presentatie. In de voorbereiding moet je een confucianist zijn: gedreven, conscientieus en met aandacht voor alle details. Als de mediastorm (of bries) eenmaal begonnen is word je een taoist: beweeg mee, laat los, en gebruik het momentum voor nieuwe dingen.

Hier zijn mijn slides:

De sessie

Andere sprekers in de sessie waren Chris Jacobs, promovendus in de biologie aan de Universiteit Leiden, en Fred Balvert, wetenschapscommunicator van het Erasmus MC. Chris heeft een hele leuke website, science-explained.com, waarop hij uitlegt hoe zijn vakgebied werkt; en Fred heeft net een boekje uitgebracht met daarin tips voor wetenschappers die in contact treden met de media.

Dat deed me overigens denken aan de NWO mediagids, die ik alweer een paar jaar geleden kreeg op een voorlichtingsdag van NWO: kort en goed, vol met praktische tips, en hier gratis als PDF te downloaden.

Waarom roep je ‘au’ bij plotselinge pijn?

Waarom au?

Is het echt “au” en niet iets anders? (illustratie Frank Landsbergen)

Voor het Kennislink Vragenboek beantwoordde ik de vraag: “Waarom roep je ‘au!’ bij plotselinge pijn?”. Dat is kennelijk een vraag die nogal leeft, want vorig jaar stelde Labyrint radio me dezelfde vraag en dit voorjaar was het raak op Hoe?Zo! radio. Daarom hier, als service voor zoekers, tweeters en andere au-gefascineerden, mijn antwoord.

In deze vraag zitten twee vragen verborgen. Voor een helder antwoord kunnen we die het beste opbreken:

(1) Waarom roepen we als we pijn hebben?

(2) Waarom roepen we ‘au!’ en niet iets anders?

Bij de eerste vraag zijn we in het gezelschap van een hoop andere dieren. Kreten van pijn komen door heel het dierenrijk voor. Waarom? Darwin, die in 1872 een boek schreef over emoties in mens en dier, dacht dat het samenhing met de sterke spiersamentrekkingen  die bijna elk dier vertoont bij een pijnscheut — een geritualiseerde versie van het zich bliksemsnel onttrekken aan een pijnlijke stimulus. Maar dat brengt ons nog niet veel verder: waarom zou de mond daarbij open moeten gaan? Onderzoek sindsdien heeft uitgewezen dat kreten in het dierenrijk ook communicatieve functies hebben: bijvoorbeeld om soortgenoten te alarmeren bij gevaar, om hulp te roepen, of om zorgend gedrag op te wekken. Die laatste functie begint al in de eerste seconden van ons leven, wanneer we het op een huilen zetten en onze moeder ons zorgzaam in de armen neemt. Baby’s, en trouwens de jongen van veel dieren, hebben hele repertoires aan verschillende kreten. In die repertoires is de pijnkreet —de uitroep bij een acute pijnbeleving—altijd duidelijk herkenbaar: een plotseling begin, een hoge intensiteit, en een relatief korte duur. Hier zien we al de contouren van ons “au!”. En daarmee komen we aan bij het tweede deel van de vraag.

Waarom au en niet iets anders? Eerst moeten we de vraag kritisch bekijken. Is het echt nooit anders? Zeg je au als je op je duim slaat of is het “aaaah!”? In het echt is er flink wat variatie. Toch is de variatie is niet oneindig. Niemand roept bibibibibi of vuuuuu in plotselinge pijn. Pijnkreten zijn variaties op een thema. Dat thema begint met een “aa” vanwege de vorm van ons spraakkanaal bij wijd open mond, en klinkt als “aau” als de mond daarna weer snel naar een dichte stand beweegt. Het woordje “au” vat dat thema prima samen. Daarmee hebben we meteen een belangrijke functie van taal te pakken. Taal helpt ons om ervaringen die nooit volledig hetzelfde zijn toch als soortgelijk te beoordelen. Dat is handig, want als we het willen hebben over “iemand die au roept” hoeven we niet de kreet precies te imiteren. In die zin is au een talig woord en geen kreet meer. Is au dan ook in alle talen hetzelfde? Bijna, maar niet helemaal, want elke taal gebruikt zijn eigen inventaris van klanken voor het beschrijven van de pijnkreet. In het Duits is het “au!”, een Engelsman zegt “ouch!”, en voor iemand uit Israel “oi!” — althans zo schreef Byington in 1942 in één van de eerste vergelijkende studies van uitroepen van pijn.

Ieder van ons komt ter wereld met een repertoire van kreten, en leert daarbovenop een taal. Die taal maakt dat we meer kunnen dan het uitschreeuwen — we kunnen er ook over praten. Gelukkig maar, want anders was er van dit antwoord niets terecht gekomen.

Dit stukje schreef ik als bijdrage aan het Kennislink Vragenboek, onder redactie van Sanne Deurloo en Anne van Kessel. Je kunt de gepubliceerde versie van het stuk hier lezen (PDF).

Quest

Welkom Quest-lezers! Je komt hier misschien via het stukje in de Quest van januari 2013. Als taalwetenschapper bestudeer ik het Siwu (spreek uit: “Siwoe”), gesproken in het zuidoosten van Ghana. Eén van de dingen die ik onderzocht heb zijn de vele klankwoorden van het Siwu.

Dolf JansenWil je meer weten over mijn taalonderzoek in Ghana? Beluister dan het volgende korte interview door Dolf Jansen. Daarin vertel ik over mijn veldwerk in Ghana en hoor je ook geluidsopnames van ideofonen in het Siwu. (Ideofonen, zo noemen we “klankwoorden” in de taalkunde.)

Het stukje in de Quest is gebaseerd op een interview in NRC Handelsblad. Als je wilt kun je dat hier nalezen.

Een taal vol klankwoorden?

In een kort stukje over “rare taal” is het belangrijk om te laten zien hoe anders het Siwu is dan het Nederlands. En Quest heeft volkomen gelijk: het Siwu is een taal die heel mooi klinkt en die hardstikke interessant is om te onderzoeken. De klankwoorden van het Siwu zijn zo interessant dat ik er een heel proefschrift aan gewijd heb.

Bij het artikel in de Quest staat een plaatje van een auto met een kapotte motor waarbij iemand “bedoembedoembedoem… kgggg” zegt. Een Siwu-spreker zou gewoon zeggen: Kaa ɔ kpì. ‘De auto is kapot.’ De monteur zou zeggen: Aa, tã mɛ lo nyɔ. Lo bu sɔ ìyèbi ìitere kukaakɔ. ‘Oh, even kijken. Ik denk dat de motor niet goed loopt.’ Heel misschien, als er een raar tikje in de motor zou zitten of als de motor tijdens het rijden schokkerig loopt, zouden ze een ideofoon gebruiken. Net zoals wij misschien een gebaar zouden gebruiken om het uit te beelden.

Communiceren de Mawu —de sprekers van het Siwu— alleen in klankwoorden? Natuurlijk niet. Het Siwu heeft ook heel veel gewone woorden. Naamwoorden zoals ɔ̀bi ‘kind’, ndu ‘water’, kàmɔ ‘rijst’, en kàsukutu ‘werktuig om palmolie mee te maken’. Werkwoorden zoals we ‘kauwen’, tere ‘rennen’,  ‘zeggen’, fudza ‘wit zijn’. Bijvoeglijke naamwoorden zoals yɛtɛ ‘nieuw’ en siarè ‘groot’. Bijwoorden zoals gbidii ‘heel erg’,  kukaakɔ ‘supergoed’.

Waarvoor gebruik je ideofonen in het Siwu?

Waarom heeft het Siwu dan zoveel ideofonen? Dat is precies wat ik in mijn proefschrift onderzocht heb. Niet om alle communicatie mee te doen. Maar om heel precies te communiceren op momenten dat het er echt toe doet. Als ik wil laten zien dat ik kan bogen op persoonlijke ervaring bijvoorbeeld. (Eigenwijze klant: ‘Maar is het niet gewoon de afstelling van de kleppen? De monteur: ‘Moet u horen meneer. Als de zuiger aanloopt doet ‘ie ketetoeng ketetoeng; maar als het de klepstoters zijn klinkt het meer van gnn-tata-gnn-tata-gnn. Ik hoor het eerste.’) Of als ik samen met iemand een ervaring wil herbeleven. (Weet je nog toen we met die kapotte knalpijp door de Gotthardtunnel reden?) Dán gebruik ik ideofonen. Met gewone woorden kan ik praten, maar met ideofonen kan ik een gebeurtenis tot leven brengen. Continue reading